Logo Erasmus MC.
Topbalk beeld rechts.
 
Klik op deze knop om alle folders te doorzoeken.Zoek folders
Klik op deze knop om dit document te printen.Print pagina
Klik op deze knop om dit document als PDF te downloaden.Download PDF
Klik op deze knop om de tekstgrootte te vergroten.Grotere tekst
Klik op deze knop om de tekstgrootte te verkleinen.Kleinere tekst

De knop om deze folder als favoriet te markerenFavorietDe knop om deze folder per email door te sturen.Stuur door

Kindercardiologie


Hartkatheterisatie met ablatie bij kinderen

Hartkatheterisatie met ablatie bij kinderen

Behandeling bij hartritmestoornissen


Een ablatie is een behandeling bij hartritmestoornissen. Hieronder vertellen we meer over het normale hartritme, over het ontstaan van hartritmestoornissen en over de gang van zaken rondom de ablatie.

Wat zijn hartritmestoornissen?


Het normale hartritme


Het samentrekken van het hart begint door kleine elektrische prikkels. Deze prikkels ontstaan in een groepje pacemakercellen. Dit groepje cellen vormt de sinusknoop in de rechterboezem van het hart.

Alle spiervezels van het hart volgen de elektrische prikkels van het sinusritme. Terwijl de rechter- en linkerboezem door de prikkel samentrekken, stroomt het bloed naar de hartkamers. De prikkel wordt via een geleidingssysteem in het hart verder geleid naar de atrioventriculaire knoop (AV-knoop). De AV-knoop is een soort verzamel-station midden in het hart, op de grens tussen de boezems en de kamers.

De prikkel wordt met enige vertraging via de AV-knoop doorgeleid naar de kamers via de bundel van His en de fijnvertakte Purkinjevezels. Hierdoor trekken de rechter- en linkerkamer samen.

weergave van het hard met de verschillende onderdelen

Hoe ontstaan hartritmestoornissen?


Een normaal hartritme begint dus in de sinusknoop. Bij hartritmestoornissen is er een afwijking in de normale prikkelvorming. Dit komt door een verstoring in de elektrische aansturing van het hart. Er ontstaan prikkels op de verkeerde plaatsen of ze volgen de verkeerde route
door het hart.

Een ritmestoornis kan op elke plaats in het hart ontstaan, omdat elke hartcel elektrisch actief kan zijn. De boezems en de kamers trekken daardoor niet meer in de juiste volgorde of onregelmatig samen, te langzaam of juist te snel. Als de hartslag boven de 100 slagen per minuut komt, dan noemen we dit een tachycardie (tachy = snel). Een hartslag onder de 50 slagen per minuut heet een bradycardie (brady= langzaam). Een tachy- of bradycardie hoeft niet altijd op een ritmestoornis te wijzen, zolang de elektrische prikkel vanuit de sinusknoop komt. Een bradycardie kan voorkomen bij sporters of tijdens de slaap; een tachycardie kan voorkomen bij koorts of inspanning.

Ook bij een gezond persoon slaat het hart niet altijd gelijkmatig. Af en toe een extrasystole (extra slag) is geen uitzondering en is in een gezond hart zonder gevaar. Een extrasystole ontstaat als een ander stukje van de hartspier ook even, net als de sinusknoop, als pacemaker gaat functioneren. Meestal blijft het bij een of enkele extra slagen. Daarna neemt de sinusknoop de leiding weer over.

Bij mensen met een vergroot, beschadigd of abnormaal hart kunnen extrasystolen makkelijker ontstaan. Dit is niet altijd zonder risico’s. Vooral wanneer de impuls van de extra slag in de hartkamers ontstaat, in plaats van in de sinusknoop. Een extrasystole kan dan voldoende zijn om het hart plotseling op hol te laten slaan. Hierbij stijgt de hartfrequentie plotseling boven de 100 slagen per minuut. Hartfrequenties van 150 tot 200 slagen per minuut zijn dan geen uitzondering.

Symptomen en gevolgen


Door hartritmestoornissen gaat het hart minder goed werken. De klachten die kunnen ontstaan, verschillen per persoon. Ritmestoornissen in de kamer kunnen een negatieve invloed hebben op de pompfunctie van het hart. Snelle kamerritmes (onder andere kamerfibrilleren) kunnen de pompfunctie van het hart volledig stilleggen. En in het ergste geval tot plotse dood leiden. Klachten die kunnen ontstaan bij ritmestoornissen zijn:

Onderzoek en diagnose


Er zijn verschillende onderzoeken mogelijk om het hartritme in beeld te brengen. Dit kan door het maken van een hartfilmpje. Dit noemen we een ElectroCardioGram (afgekort een ECG).

Een ECG is een momentopname. Als we hiermee de hartritmestoornis niet in beeld krijgen, kun je een holterkastje mee naar huis krijgen. Dit is een 24- of 48-uurs opname van het hartritme.

Deze registratie kan ook door middel van de Padsy-holter: een minirecorder die maximaal week het hartritme kan opnemen. Als ook dit niet succesvol is, kun je een inwendige monitor krijgen. Deze hebben verschillende namen, afhankelijk van de fabrikant. Zo is er een Reveal en een ILR (Implanteerbare LoopRecorder). Dit is een klein apparaatje dat onderhuids wordt ingebracht en gedurende een aantal maanden het hartritme in beeld brengt.

Het kan belangrijk zijn om het hartritme tijdens inspanning te bekijken. Daarvoor kunnen we een inspanningstest aanvragen. Er wordt dan een ECG tijdens inspanning gemaakt.

Over de behandeling


Een ablatie is een behandeling bij hartritmestoornissen. Bij een ablatie branden we het stukje hartweefsel weg dat de ritmestoornis veroorzaakt. Dit doen we met radiofrequente energie (RF) of cryothermale therapie (vriezen). De elektrische stroom die jouw soort hartritmestoornis veroorzaakt, wordt daarmee onderbroken en op die plaats zal littekenweefsel ontstaan.

Om een ablatie te kunnen doen, is een hartkatheterisatie nodig. Een hartkatheterisatie vindt plaats onder narcose. Via een bloedvat in de lies brengt de kindercardioloog een hartkatheter naar de plaats in het hart waar de hartritmestoornis vandaan komt.

Voor wie?


Niet iedereen met een ritmestoornis komt in aanmerking voor een ablatie. Deze behandeling wordt overwogen:

Plaats van de ablatie


De plaats van de ablatie is afhankelijk van de oorsprong van de ritmestoornis. Soms is er een duidelijke oorsprong, bijvoorbeeld bij een extra geleidingsverbinding tussen de boezems en de kamers of rondcirkelende elektrische activiteit.

Het resultaat


De kans op succes verschilt per ritmestoornis. De kindercardioloog bespreekt met je wat de kans van slagen is en wat de risico’s zijn.

Bijwerkingen en complicaties


De kans op complicaties bij een ablatie is klein. Meest voorkomend is een bloeduitstorting en zwelling door de punctie in de lies. Ook een allergische reactie door medicijnen of plakkers kan zich voordoen. Op het pre operatieve spreekuur bespreekt de interventie-cardioloog wat voor jou de risico’s zijn.

Voorbereiding op de behandeling


Om je voor te bereiden op de hartkatheterisatie met ablatie krijg je informatie en de inloggegevens van de app kindercardiologie thuisgestuurd.

Pre-operatief spreekuur

Ook krijg je een uitnodiging voor het pre-operatieve spreekuur van de verpleegkundig consulenten kindercardiologie (VC). Het spreekuur van de VC is er om te zorgen dat voor een ablatie alles duidelijk is. Je praat met de interventie-cardioloog, de anesthesioloog en de verpleegkundig consulent kindercardiologie. De laatste pre-operatieve onderzoeken, die nog nodig zijn, doen we ook tijdens dit spreekuur. Je krijgt een rondleiding over de afdeling Kinderthoraxcentrum. Ook krijg je de Tikkiering. Een gastvrouw begeleidt je naar de verschillende gesprekken en onderzoeken.

Medicatie

Als je medicijnen voor je hartritmestoornis gebruikt, moet je deze 5 dagen voor de ablatie
stoppen.

Tijd opname
Een week voor de ingreep word je gebeld door de verpleegkundig consulent kindercardiologie over de datum en tijd van de ingreep. De opnameduur voor een ablatie is een dag en een nacht. Je wordt opgenomen op de afdeling Kinderthoraxcentrum.

Nuchter
Op de dag van de ingreep moet je nuchter zijn om te voorkomen dat je misselijk wordt of moet braken. Tenminste 6 uur voor de ablatie mag je niets meer eten en helder drinken tot aan de ingreep.

Kleding
Je krijgt operatiekleding aan. We raden aan om warme sokken aan te trekken, omdat het op de operatiekamer koud is. De operatiekamer wordt koel gehouden voor steriliteit, koeling voor de apparatuur en voor het personeel dat beschermende kleding draagt tegen de röntgenstraling.

Als je aan de beurt bent brengt de verpleegkundige je naar de operatiekamer. Je ouders mogen bij jou blijven tot je onder narcose bent.

Na de behandeling


In het ziekenhuis


Als je na de ablatie goed wakker bent, mag je weer eten en drinken. Het kan zijn dat je wat misselijk bent van de narcose. Geef dit door aan de verpleegkundige.

Je hebt enkele uren bedrust en moet plat blijven liggen en je been of benen recht houden, totdat het drukverband verwijderd is. Dit is om nabloedingen te voorkomen. Het is belangrijk dat je direct aan een verpleegkundige doorgeeft als je een warm, nat gevoel of zwelling in de lies krijgt. Dit kan wijzen op een nabloeding. Ook als je last hebt van het drukverband of pijn hebt in je lies, is het verstandig dit door te geven aan de verpleegkundige. De kindercardioloog vertelt je of de ablatie gelukt is.

Ontslag


Voordat je naar huis mag, maken we een echo van het hart en een hartfilmpje. Je hebt een ontslaggesprek met de kindercardioloog en een ontslaggesprek met de verpleegkundig consulent kindercardiologie. Van de afdelingssecretaresse krijg je een afspraak mee voor controle op de polikliniek bij de kindercardioloog. Als het nodig is, geeft de afdelingsarts of verpleegkundig specialist je recepten mee. Bijzondere medicatie kun je de eerste keer ophalen bij de poliklinische apotheek in de Passage van het Erasmus MC.

Thuis


Het herstel gaat thuis door. De eerste dagen na de ingreep kun je je nog wat slap voelen of snel vermoeid zijn. Dit is een nawerking van de narcose. Hierover hoef je je geen zorgen te maken. Vaak voel je zelf aan wat je aankunt.

Het kan zijn dat je in de eerste weken na de ablatie nog dezelfde ritmestoornis hebt als voor de ingreep. Het duurt even voordat het litteken van de ablatie is gevormd door het lichaam. De kindercardioloog bepaalt of je na de ablatie tijdelijk door moet gaan met de medicijnen die je gebruikte tegen je ritmestoornissen. Gedurende 6 weken moet je dagelijks een tablet acetylsalicylzuur (bloedverdunner) gebruiken. Dit voorkomt stolselvorming op de littekens van de ablatie in het hart.

Genezing van de wond in de lies


In het grote bloedvat in de lies is de katheter ingebracht en doorgevoerd naar het hart. Hier is een wondje ontstaan wat moet genezen. Zowel de huid als het bloedvat moeten genezen. Er zal een korstje op de wond komen. Laat dit vooral zitten, dit beschermt de wond. Het korstje zal er vanzelf afgaan wanneer de wond genezen is. Soms lekt de wond vocht na. Je kan er dan een gaasje of pleister op doen.

Belangrijk is dat er de eerste dagen niet te veel druk op de wond komt te staan. Veel beweging en druk op de lies is niet goed voor de genezing van de wond. Het kan voorkomen dat de wond gaat nabloeden. Druk het bloedvat dan 10 minuten af boven het aanprikpunt. Is het bloeden gestopt? Doe er dan een gaasje of pleister op. Blijf de wond wel regelmatig controleren.

Je kunt nog pijn hebben bij het aanprikpunt in de lies. Ook kan een bloeduitstorting in de lies pijn veroorzaken. Deze bloeduitstorting verdwijnt weer vanzelf na een aantal dagen. Thuis kun je paracetamol nemen volgens de bijsluiter.

Douchen of in bad


De dag na ontslag mag je weer douchen. Doe dit niet te lang, anders wordt de huid te week. Dat is niet goed voor de genezing van de wond. Na 3 dagen mag je weer in bad. Het korstje op het aanprikgaatje moet weg zijn.

Leefregels


De eerste dagen na de ingreep is het belangrijk om rustig aan te doen. Ons advies is:

De meeste patiënten kunnen binnen een week na de behandeling hun gewone leven weer hervatten.

Wanneer contact opnemen?


Neem contact op met de verpleegkundig consulent kindercardiologie:

Heeft u nog vragen?


Bij vragen kunnen jullie altijd contact opnemen met de verpleegkundig consulenten kindercardiologie.

Voor acute vragen ’s avonds of ’s nachts: bel met Spoedeisende Hulp Erasmus MC en vraag naar dienstdoende kinderarts: 010-7040145.


Foldernummer: 0000695-07_20


Deze website maakt gebruik van cookies. Lees onze cookieverklaring .
Gezien